Rood

‘Bloed en urine mogen in het toilet’ buldert de keiharde stem van de verpleegster.
‘Als je weefsels ziet en bloedklonters moet je mij onmiddellijk roepen’

Ik wend mijn blik van het televisiescherm.

Ik denk aan tinnen soldaatjes. Minutieuze miniatuurtjes geschilderd in levensgetrouwe kleuren. Mijn broer bootste het slagveld van ’40-45’ na.

Een maquette die als plaquette dienst doet.

Ik klauter de trappen op naar de zolder. Het is lang geleden dat ik naar mijn broers Yad Vashem opklom. Ik steek de stekker in het stopcontact en er lichten duizenden lichtjes op. Ik ben verbaasd dat na al die jaren nog vrijwel alle lampjes intact gebleven zijn. 6000 hadden het er moeten zijn: 6000 kinderzieltjes: holocaust.

Ik laat me op de grond zakken en kan de herinneringen niet tegenhouden.

Ik lig op mijn buik in een greppel. SS’ers lopen in ritmische pas voorbij. In de verte hoor ik het getik van de marconist. Hij seint zijn berichten door op vaste tijdstippen. Het zal dus niet lang meer duren voor de Blockälteste zal passeren. Een schel geluid van haar fluitje en iedereen verzamelt zich op de centrale Appèlplatz.

‘Arbeid macht Frei’. Na de secure telling klinkt opnieuw een schel geluid. Iedereen begeeft zich automatisch naar de stenen barakken. Van tante Nel hoorde ik dat mijn pa waarschijnlijk in het Revier is ondergebracht. In kritieke toestand.

Ik zal het schemerdonker afwachten en erheen sluipen. In die richting gaan geen kampbewoners; ik moet dus uiterst voorzichtig zijn.

Ik was net 18 geworden toen wij met een gele davidster op de arm in de cattle wagons werden geladen. Deze voerden ons af naar het kamp. Alleen mijn pa en ik. Mijn moeder was een shikse en de SS’ers lieten haar verbouwereerd achter.

Pa en ik leefden al jaren in onenigheid. We konden het niet uitgepraat krijgen. En dan die plotselinge deportatie. Mannen en vrouwen gescheiden. Ik heb, behalve tante Nel, niemand van mijn familie teruggevonden. De ruzie met pa is blijven knagen. Ik gaf onze meningsverschillen dan ook de schuld dat ik – hier – helemaal alléén moet vechten. Een hard stuk brood of een plaatsje om te kunnen slapen zijn pure luxe…. ALS ik ze kan bemachtigen.
Uit de handen van de Kapo’s blijven, die ons geen enkel ogenblik sparen -ze deinzen er niet voor terug om met een knuppel of geweerkolf op ons te slaan -:dat is mijn hoofdbezigheid.
Ik kruip op handen en voeten over het met kiezelstenen bezaaide plein naar het Revier. Ik klop voorzichtig op de deur. Een Rabbi doet open.

Ik leg uit dat tante Nel, die in de keuken werkt, mij gestuurd heeft omdat mijn pa Roni Zahavy hier waarschijnlijk zou zijn ondergebracht. De Rabbi legt een hand op mijn schouder. Nog voor hij de gevreesde woorden ‘uw pa is gestorven‘ de nacht instuurt krimp ik in elkaar van de pijn. Hij hakt harteloos in op mijn lichaam.

Ik voel het lemmet ronddraaien. Ik had dit ogenblik gevreesd. Ik krijs en schreeuw. Mijn ingewanden scheuren, mijn baarmoeder voelt als een hakblok en ik buig voorover door de exorbitante ballast die ik voel. De tranenstroom kan ik niet meer stoppen, ik heb het gevoel dat ik gek word. Mijn nervositeit doet mijn hoofd bonzen. Het voelt als een exorcisme dat ik willoos onderga en waardoor ik bevrijd zal worden.

Ik zak in elkaar: lusteloos, eenzaam, bedreigd, bekeken.

Die nacht kan ik niet slapen. Ik durf mijn ogen niet te sluiten. Ik ben bang, verkleumd. Ik ben kwaad om de onoverbrugbare leegte die de dood me laat. Het is een nakende afgrond, een krachtige oceaan. Lama, lama, Elochim sjellie. Waarom, waarom, Mijn God? De onmacht dendert verder. Ik voel me leeg en ik mis pa. Ik kan dat gemis niet wegslikken, niet uitzweten, niet uitdrinken of opeten. Ik heb geen handleiding, geen voorbeeld, geen richtlijn om dit persoonlijke verdriet aan te wenden.

De Rabbi laat mij toe dat ik de tahara uitvoer. Ik ben immers de enige overblijvende familie. Ik heb mijn pa nog nooit naakt gezien maar het wassen van zijn lijk en het aantrekken van het doodskleed is het meest intense moment dat ik me blijf herinneren alsof het gister was. De Rabbi is akkoord dat ik bij de hele duur van de sjiwa aanwezig ben. Die zeven rouwdagen hebben mij gelouterd.

De verbranding van zijn lichaam heb ik niet als schending van ons geloof ervaren. Ook al is hij niet begraven en heeft hij geen eeuwige rustplaats, ik heb hem vergeven en dat zal hem de vereiste rust geven.

Ik ontwaak omdat ik de koude door mijn lichaam voel trekken. De zolder is niet verwarmd.

Ik leg mijn handen op mijn buik en voel een stekende pijn: de pijn van toen. Ik zie de beelden van het programma van daarnet voorbijflitsen: abortus. Pijn en verdriet die ik voelde toen mijn pa overleden was…uitdrijving, afsnijding, dood…

De jeugd warmt zich aan de zon der hoop, de ouderdom aan de kachel der herinneringen.

Copyright Sabrina Maes

Scroll Up