Kobolden en alvermannekes

Sinds de dood van mijn vader breng ik meer tijd door in mijn geboortestreek die gekarakteriseerd wordt door uitgestrekte weiden en grazende koeien en die ook gekenmerkt wordt door weidende schapen, gehoed door een schaapherder en door zijn hond die een degelijke training kreeg, een traditie die van generatie tot generatie wordt overgeleverd. Je kan er een kerkenroute volgen langs de slingerende weggetjes die temidden van deze weilanden liggen verstopt en kronkelend hun armen en benen verstrengelen rond de mastodonten met hun torens en windhanen, waardoor je niet echt over een kompas hoeft te beschikken om het noorden niet kwijt te geraken.

Het was heel lang geleden dat ik nog naar deze uithoek was afgezakt.  De herinneringen die me meestal triest stemmen en als een rode draad door mijn dagdagelijks bestaan lopen, weerhielden me om hier in de buurt te komen rondhangen, hoewel ik hier mijn hele jeugd heb doorgebracht, fietsend, wandelend en spelend tussen de grasvelden. Steeds in augustus, ravottend tussen de opgeschoten maïs treurde ik, omdat die schaarse ogenblikken tussen de landerijen de mooie momenten van mijn jeugd waren want  vrij en alleen genoot ik  van even zorgeloos te zijn. In augustus zouden ze echter tegelijk met het oogsten van de maïs in de winterschuur worden opgeborgen tot toekomende lente.

Ik ging vissen in de putten van Fort Bedmar en verzamelde kikkerdril met een schepnetje, waarna ik deze kikkerdril bewaarde in een glazen bokaal naast de bokaal met meikevers, met hun mooi wit en zwart harnas.  Mijn opa noemde deze meikevers mulders of molenaars en soms ontglippen deze woorden me als ik nostalgisch terugdenk aan die periode, vol zelfmedelijden zoekend naar een verklaring voor de negatieve smaak aan de herinneringen, maar in Antwerpen, waar ik nu woon, bekijken ze me dan of ik een buitenaards wezen ben en dat probeer ik te vermijden vermits ik me nu toch geïntegreerd voel en eindelijk ergens thuis ben.

De dood van mijn vader bracht me terug naar het mysterie dat ik,  toen ik klein was nooit heb kunnen ontrafelen maar dat mij niettemin is bijgebleven en dat ik gekoesterd heb om ooit eens te kunnen oplossen.

-1-

Ik had een vaag vermoeden dat het rechtstreeks verband hield met mijn trieste jeugd, ondersteund door de woedeaanvallen van vader en steeds gecombineerd met slagen om vervolgens naar mijn kamer verwezen te worden. Mijn moeder bleef eindeloos apathisch onder deze brulfestijnen en zij verdedigde mij niet zoals ik bij vriendjes al wel eens zag, als ik daar toevallig een vrije namiddag, weliswaar een zeldzaam gebeuren, doorbracht voor een verjaarpartijtje.

De terugkeer naar het dorp waar ik opgroeide was dus een ideale gelegenheid om eindelijk op zoek te gaan naar de mythe van Saeftinge, waarvoor ik toen te klein was en wanneer groot en oud genoeg, ik niemand meer sprak of zag die me over deze mythe had kunnen vertellen.

Mijn opa was garnaalvisser en zijn hele leven was getekend door hard labeur, door storm op zee, water en nog eens water.  Maar door zijn beroep had hij wel het ideale medium om te smokkelen gedurende de oorlog.  Geen enkele douanier die iets vermoedde toen opa en mijn tantes en nonkels, waaronder dus ook mijn moeder, de grens overstaken van ‘Bels’ naar Holland en vice versa, met pakken boter onder hun jas verstopt, of suiker of bloem, of andere waardevolle en in die tijd zeer moeilijk te verkrijgen, maar levens noodzakelijke ingrediënten. Opa vergaarde met zijn visvangsten en smokkelen netten vol geld, zodat hij zijn negen dochters rijkelijk kon voeden en kleden, met lange kanten rokken en heus ondergoed voor meisjes.  Het ging de familie van ’t Haelst voor de wind en de dorpsgenoten knikten dan ook van ver als iemand van van ’t Haelst aankwam gewandeld, zo ook zelfs in Doel waar het schip van opa lag aangemeerd, Clinge 11 heet ze en ze is nog steeds in de vaart hoewel ze haar  thuishaven nu in Zeebrugge heeft en niet meer in ‘t Verdronken land van Saeftinge, kwamen de dorpelingen aangelopen om opa te helpen bij het aanmeren.  Onmiddellijk legden ze de meertouwen over de bolders en hielpen ze opa bij de verkoop van de verse garnalen die hij gedurende deze vaart had gevangen en onderweg reeds afgekookt had, zodat deze rode lekkernijen direct hun weg naar de gegadigden konden vinden.  Opa had zijn goede naam reeds van generaties lang en zijn verdienstelijke leven, de pastoor tijdens de begrafenismis van mijn vader noemde hem

-2-

de filosoof van het dorp, zette de traditie verder. De dochters trouwden echter allemaal heel gewoon, de ene met een mandenmaker, de andere met een tapijtvlechter, weer een ander met een klompenmaker. Een van hen begon een kruidenierszaakje waar je allerlei grensingrediënten kon kopen, zoals Hollandse drop en Hollandse boter, slasaus en pindakaas. In een mum van tijd had ze een floriserend handeltje opgebouwd maar geraakte nooit verder dan het winkeltje op de hoek. Een ander trouwde met een kleermaker en liep de hele dag met een lintmeter rond de hals. Opvallend was dat ze allemaal geluk uitstraalden en niet door onheil werden achtervolgd.

Mijn moeder  trouwde met een boerenzoon en ik ben dus opgegroeid tussen de koeien en de polderaardappelen, het gras hooien en de stallen uitmesten, ruikend naar de overweldigende ammoniakgeur die vrijkomt als je stro, urine en uitwerpselen een tijdje laat gisten.  Ik had een heel groot aantal nichtjes en ik was het enige neefje wat me oorspronkelijk niet opviel maar dat steeds meer en meer een uitzonderlijkheid werd waarmee ik te pas en te onpas werd geconfronteerd, door mijn beider ouders maar ook op school en op straat. Moeders verboden hun kinderen met mij bevriend te zijn en ik kreeg dan zo’n domme uitleg ‘ik mag niet met je spelen van mijn moeder’.  Ik doorworstelde een heuse frustratie en was overtuigd dat het aan mezelf lag, aan de acné die van mijn gezicht een hobbelig landschap maakte, de bobbels rood ontstoken en weldra ontvlambaar, zodat ik me onzeker begon te voelen en  mezelf weifelend gedroeg waardoor ik rood aanliep als men mij iets vroeg of ik mijn ogen afwendde in een onverwacht gesprek.  Ik begon dus eindeloos vragen te stellen, eerst subtiel, dan ongezouten maar ze werden onmiddellijk afgestraft met een klap op mijn kop.

Mijn beide zussen zaten dan als echte meiden, ze waren ook 7 jaar ouder, een tweeling, ik was het kakenestje een achterkomertje, te giechelen met hun hand voor de mond, terwijl ze hun hoofd heen en weer schudden zodat de staartjes met rode lintjes heen en weer dansten langs hun hoofden alsof zelfs die plezier hadden in mijn nederlagen.

Daarom knoopte ik de woorden van de pastoor goed in de oren ‘opa filosoof van het dorp’, en ze overtuigden me dat ik iemand zou vinden waarbij ik zonder argwaan te wekken zou kunnen aankloppen en vragen

-3-

‘Wat bedoelde mijnheer pastoor met die woorden?’

Ik was sinds mijn jeugd geboeid door het Fort Bedmar, één van de vele propriéteiten van de familie, restant van de noblesse oubliée, omdat ik daar tijdens één van mijn vispartijtjes niet de gegeerde kikkerdril opduikelde, of een of ander verloren visje dat kon aarden in het stilstaande water, maar mammoetwervels en haaientanden, die prompt door vader in beslag werden genomen en aan een bevriende museumconservator werden overhandigd, waarbij over mijn krullen werd geaaid alsof ik een schaapskop had.

Ik wist nog in een vage herinnering dat deze man ergens in een straatje tussen de twee grenzen in woonde en dat hij ook de familie goed kende, dus ik vatte het plan op eindelijk de historie van Fort Bedmar uit te pluizen en dit te koppelen aan het ontfutselen van ons familiegeheim.

Ik werd onmiddellijk binnen gevraagd in de oertypische grenswoning, die klein is en waarvan de ramen getooid zijn met te korte gehaakte gordijntjes zodat het een open-deur-sfeer creëert en het absoluut onmogelijk is geheimen te koesteren.  De achterdeuren van zulke Hollandse huisjes zijn ook nooit in het slot, iedereen kan op elk moment komen aanwippen voor een bakje troost met koek.  Buurten.  Ik zat nog niet neer of er werd al koffie aangeboden terwijl ik vertelde wie ik nu precies was, wat ik deed, hoe oud ik was, en wat ik precies weten wilde.  De oe’s en ah’s bleven niet uit en in korte tijd leek ik dus als twee druppels water op mijn opa die Ward nog had gekend van tijdens de oorlog.  Hij vertelde een anekdote die me even de keel deed dichtsnoeren.

Het was 1941 en ongeveer ter hoogte van Lillo had ik vaten zien drijven.  Ik ging op inspectie en merkte dat het vaten olie waren, grote ronde tot aan de rand gevuld, en ze hadden een hele trek gevaren want de opschriften waren in Russisch, dat veronderstelde ik tenminste voor zover ik ooit Russisch schrift had gezien, in ieder geval was het onleesbaar.  Mijn hart begon harder te bonzen, ik voelde mijn aderen gespannen in mijn keel, mijn handen werden klammig want ik wist dat dit goud waard was en ik watertandde  al bij de gedachte aan een vet stuk vlees en een kop echte koffie in plaats van cichorei, die erg bitter smaakte. Ik was te jong om deze vaten alleen te verzamelen, ik had iemand nodig met een schip.  Daarom zocht ik contact met jouw opa Bert en stelde hem een handeltje voor: ‘jij hijst ze aan boord en je geeft

-4-

me 50% van de opbrengst, ik heb ze immers gevonden’.  Jouw opa wou er niets mee te maken hebben, verzon een smoes als had hij nog te veel werk, mazen in de visnetten, een mast gebroken, dek moest geschrobd, machinekamer hing vol olie en vet, restanten van een reparatie.    Ik ging naarstig op zoek naar een andere kompaan maar niemand was geïnteresseerd. Met afhangende schouders moest ik huiswaarts keren om een volgende korst oud brood wak te laten worden boven op een kop dampend cichoreibrouwsel. Later hoorde ik verhalen dat jouw opa ze toch had opgehaald achter mijn rug om en de duiten helemaal alleen in zijn zak had gestopt.  Ik probeerde het te wijten aan te jong en te onervaren maar vergeten ben ik het nog lang niet, het zit in mijn mouw en het is er door de jaren heen nog bij lange na niet uitgeschud.

Het koud zweet brak me uit en ik dacht dat ik binnen de kortste keren op de stoep zou staan maar niets was minder waar en Ward liep naar de kitchenette om koffie bij te halen.  Ik roerde in de zwarte vloeistof als in het  orakel van Delphi, de meest wijze van alle mensen (1), dat mij de juiste toon zou aanbrengen. Ik roerde ook heftig om de tijd te rekken zodat ik een passende aanloop kon nemen tot de feitelijke bedoeling van mijn visite.

Ik socialiseerde mijn babbel tot ik me op dezelfde golflengte van Ward bevond en ik zonder achterdocht ten strijde kon trekken. Ward maakte een vloeiende overgang van vijand en kwezel naar een gewillig narrator der sagen en mythen. Hij nestelde zich comfortabel in de sofa, stak een prop kerftabak in zijn mond en begon erop te pruimen, wat me onmiddellijk een behaaglijk gevoel gaf en me flarden van vervlogen geluk opwierp.

Generaties lang heeft de Schelde onze voorzaten  beheerst, het was hun vijand maar ook hun bondgenoot en de strijd om de overstromingsgronden in te dijken heeft de van ’t Haelstes uiteindelijk geen windeieren gelegd.  Tussen 1350 en 1600, een periode met vele stormvloeden, werd menige polder door de zee heroverd en de Schelde bereikte in die tijd haar grootste wateroppervlakte. De hoofdgeulen kregen meer water te verstouwen en werden daardoor gevoelig dieper en breder. Net zoals El niño werd aan deze stormvloeden ook een naam gegeven en achter elkaar hadden onze voorvaderen te kampen met de Sint Elisabethsvloed in 1430, de Sint Felixvloed in 1530 en de Allerheiligenvloed in 1570.

-5-

Tijdens oorlogen werden polderdijken om strategische redenen geïnundeerd, zodat de lager gelegen gronden onder water kwamen en als natuurlijke verdediging dienden.  In de Middeleeuwen, ten tijde van Willem van Oranje, werd jouw familie uitgekozen door de Hemelgoden, de Asen en de Wanen die de Asatrú, een voorchristelijke religie van Noord-Europa volgen, een levenswijze in en met de natuur.  Odhinn en Freyja, God en Godin van de Asatrú stelden jouw familie aan om de inwoners van Kieldrecht, Doel, Prosperpolder en ook Nieuw-Namen te redden van verdrinking en verlies van hun akkers en weiden aan de Schelde, die gemanipuleerd werd door de vijanden, reuzen en onderwereldgeesten en zij duidden uw familie van ’t Healst als, zeg maar, de menselijke gezanten aan.  Zij kregen hulp van de lichtelfen en de donkere elfen, van de dwergen, de kobolden en de alvermannekens, van de beschermgeesten en huisgeesten zoals repelsteeltje.   Ik zie je raar kijken Egbert, maar het zijn geen vage figuren uit oeroude sprookjes of romantische creaties van Tolkien, het zijn figuren, die ook nu nog een vaste plaats hebben in het Vlaamse gezin. Asatrú is een religie die al bestond vóór het Christendom maar niet kon standhouden in de 9de eeuw, waarna het verdoken voortleefde bij de mensen op het platteland, de heide-mens. Asatrú kent niet één almachtige God maar telt een hele stoet goden en godinnen en in alle rangen en standen, net zoals bij de aardse mensen.  We onderscheiden Hemelgoden of Asen zoals Odhinn die een magische-religieuze functie heeft en Thorr, de God van de strijders.  Loki is de God van de verandering en had Odhinn het advies gegeven om de reeds respectabele familie van ’t Haelst aan te stellen als de aardse vertegenwoordigers van hun godsdienst.  Daarnaast zijn er de Donkere Goden, de Wanen, die de eigenlijke Aardgoden zijn en al sinds eeuwen een vredesverbond hebben gesloten met de Asen zodat er een vervlechting is van Hemel en Aarde. Freyja is een Aardgodin, staat in voor de vruchtbaarheid en zij heeft een hele belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van ’t Verdronken Land van Saeftinge en zijn bewoners.  Zij leerde aan jouw familie de verzameling liederen, de Edda, die deze mythen verhalen en die je als kind in slaap wiegden.  Waarschijnlijk bekeek men jou raar op school toen men je vroeg een kinderliedje te zingen en je met een lied uit de Edda op de proppen kwam.

-6-

Dat herinnerde ik me inderdaad, ik kreeg toen straf en moest het lokaal verlaten, zonder een precieze uitleg, ik werd alleen verteld dat ik een gevaar was en een revolutie zou kunnen ontketenen.  Uit voorzorg gaven ze me dan straf en de directrice zwaaide met de anekdote van Jeanne d’Arc en de brandstapel.  Ik wou nu even pauzeren en gebruik maken van het toilet dat zich nog als tientallen jaren geleden buitenshuis bevond in de tuin, een houten hokje met een gat, in de vorm van een hart,  in de deur.  Ik trok de deur open en had even nog getwijfeld maar neen het was nog als ooit, een plank met een deksel erop en oude gazetten die als toiletpapier moesten dienst doen. Ik neuriede een liedje uit mijn kindertijd en na een keer of vijf herhalen vond ik de woorden terug:

If you find a friend you fully trust
And wish for his good-will,
exchange thoughts,
exchange gifts,
Go often to his house. (2).

Ward had verse koffie opgeschonken en ik slurpte vol gewekte nieuwsgierigheid van het aangeboden kopje koffie.

De Asatrù gelooft niet in een leven na de dood zoals het Christendom wel in het verder leven in onze nakomelingen.  Als men eerbaar handelt  filosoferend door het leven gaat, integer is en hard wekt verwerft men een geestelijk lichaam, heilagr en dit heilagr gaat over op de nakomelingen zowel op vrouwen als op mannen.  Er is echter wel één levensgrote voorwaarde, die jouw familie generaties lang heeft kunnen handhaven maar die jij hebt doorbroken.

Ik fronste mijn wenkbrauwen tot immense bogen, slikte alsof het mijn laatste keer was, wetend dat eindelijk na al die jaren het geheim zou ontsluierd worden waarom mijn ouders mij verachtten en onheus bejegenden tegen alle wetten van de natuur in die verkondigen dat een man het sterke geslacht is. Waarom  men in andere families blij was met een zoon, een voortzetter van de stam en ik behandeld werd als een waardeloze nietsnut.  Waarom mijn beider zussen de mooiste kamer kregen in huis, de mooiste klederen, het meeste speelgoed en waarom zij niet de beste op school hoefden te zijn.  Waarom zij een hele deus Carandache kleurpotloden kregen met zelfs goud en zilver erin en ik nog niet eens naar de doos kijken mocht.

-7-

Waarom zij het malste stuk vlees kregen en de grootste portie frieten en ik, als er nog iets restte, pas mocht bijschuiven aan tafel als zij bijna gedaan hadden.

Ik zette me schrap en ondanks was ik nerveus en wist ik plots niets meer zeker en vooral niet of ik de waarheid weten wou.

Odhinn en Freyja hadden het toezichtheerschap over de polders aan jouw voorvaderen overgedragen.  Daarvoor in ruil kregen ze uitgestrekte landerijen en ging het hen financieel uitmuntend.  Veel belangrijker was dat ze een spirituele ingesteldheid meekregen en dat hun gemoedstoestand in gelijk welke situatie stabiel bleef, depressies en ziektes waren hen vreemd.  Zulke uitzonderlijke kwaliteiten vereisten een tegenprestatie die werd bepaald door Freyja, de vruchtbaarheidsgodin, en inhield dat de familie van deze deugdelijkheden mocht genieten, generatie na generatie, als de nakomelingen binnen een gezin óf enkel uit jongens bestond óf enkel uit meisjes.

Ik zakte beduusd dieper in de sofa en in een volgende kop koffie had ik allang geen zin meer.  Ik wist niet of ik het allemaal goed gevat had want zag ik ooit kobolden of alvermannekens behalve Kabouter Plop en Johan en de alverman?

Ik bedankte Ward voor het onbeschrijfelijke grote genoegen dat hij me had gegeven bij de onthulling van de magic spell maar ik wou nu even lucht happen alvorens de Hemelgoden zouden gaan slapen en de nacht over de aarde zouden uitschudden.  Ik klapte mijn notitieboekje dicht en knoopte mijn jasje toe, terwijl ik me probeerde recht te hijsen en Ward een hand toereikte.

-8- ©Sabrina Maes – Gepubliceerd in diverse Literaire Tijdschriften

Geïnspireerd door:

Guy de Maupassant
De jonge dochter Martin
Alle verhalen
1882-1883
Uitgeverij L.J Veen B.V, Amsterdam
‘De legende van de Mont Saint-Michel’

(1)   Socrates

(2)   Havamal (Words of the High one) – Edda poëzie

-9-

Geef een reactie